10 en 11 oktober 2026, 28e zondag in het A-jaar
Inleiding
Het christendom is een godsdienst van de maaltijd. Zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament wordt de vriendschap tussen God en de mensen vergeleken met een feest, met een bruiloftsmaal, waarop iedereen wordt uitgenodigd. In de eerste lezing verbindt de profeet Jesaja deze maaltijd met de redding van de wereld en de eenheid tussen de volkeren. Jezus benadrukt in de parabel van de onwillige genodigden dat ons ja-woord daarbij van levensbelang is. Eten en drinken aan deze tafel houdt dus in dat je deel hebt aan dat alomvattende visioen van liefde en vrede, het visioen van een maaltijd, dat bestemd is voor iedereen.
Gebed om ontferming
Heer Jezus, Gij nodigt ons uit op Gods bruiloftsmaal, om mee te werken aan uw droom van vrede en recht voor elke mens. Open onze geest als onze drukke agenda in de weg staat; open ons hart wanneer we anderen geen plaats gunnen aan uw tafel; open onze handen als wij niet willen delen met hen die geen tafel kunnen vinden. Heer, wees goed voor ons en ontferm U over ons.
Homilie
“Ik kan alles aan, dankzij Hem die mij de kracht geeft.” Deze heel bewuste uitspraak hoorden we in de 2de lezing. Reeds enkele weken lezen we uit de mooie Brief aan de christenen van Filipi. We zouden hem ‘de vredesbrief van Paulus’ kunnen noemen, omdat de toon optimistisch is en de vrede Gods de rode draad ervan vormt, en dit ondanks het feit dat hij bij het schrijven ervan in gevangenis vertoeft. In het 4de hoofdstuk werkt hij deze vrede uit in 4 stappen: wees blij, wees vriendelijk, wees niet bezorgd en wees dankbaar. Dit laatste hoorden we zonet, en wel op een bijzondere manier. Paulus, die zelf een Romein was, imiteert de toenmalige Romeinse filosofen, die al te graag, vol zelfgenoegzaamheid, pronkten met het levensevenwicht en de wijsheid die zij bereikt hadden. Hij schrijft: “Ik weet wat het is om armoede te lijden, ik weet ook wat het is om in overvloed te leven. Ik ben volledig ingewijd. Ik kan volop eten en ik kan honger lijden, ik kan in overvloed leven en ik kan armoede lijden.” Maar Paulus pronkt daar niet mee, in tegendeel: hij dankt God, die hem daartoe de kracht heeft gegeven, én de inwoners van Filipi die hem “hebben geholpen in zijn moeilijkheden.” Aan de basis van deze gulle dankbaarheid ligt een grote wederzijdse inleving in elkaars wel en wee, in elkaars feest én stilte, in elkaars verbondenheid én eenzaamheid.
Deze wederzijdse inleving mis ik in het evangelieverhaal dat we zonet hoorden. Hoe dikwijls ik deze parabel ook gehoord en gelezen heb, ze blijft me vreemd en zelfs ongemakkelijk in de oren klinken. De koning nodigt uit voor het feest, maar dit gaat 2 maal pijnlijk de mist in: met de weigering door eerste genodigden en met het zich niet opmaken door één uit de 2de groep. Want we ontdekken hier 2 soorten genodigden. De eersten zijn mensen met een gesloten agenda, gebonden en geketend aan hun eigen bezigheden, maar ook aan hun eigen overtuigingen. Ook diegene die aan het eind buiten gegooid wordt omdat hij geen bruiloftskleding aan had, hoort daarbij, want dat betekende dat hij ongeïnteresseerd en zonder inleving was binnen geraakt. Ze beklimmen de ladder van hun eigen succes, en boven gekomen ontdekken ze dat hun ladder tegen de verkeerde muur staat. De tweede soort zijn de genodigden met een open agenda, die open staan voor het onverwachte, ook al hadden die ook van alles te doen. Zij leven zich wel in in het feest en de vreugde van de koning.
Want die koning had de beste bedoelingen, nl. iedereen aan de rijkgevulde feesttafel krijgen, zoals Jesaja het in de 1ste lezing beschreef: “De Heer van de machten richt op deze berg voor alle volken een feestmaal aan met verrukkelijke, uitgelezen gerechten en belegen, gelouterde wijnen.” Er werd niet op een grammetje cholesterol meer of minder gekeken! En daarvoor “verscheurt Hij de bedekking die over alle volken ligt, de sluier die alle naties bedekt,” staat er. Hij verwijdert alle hindernissen die er tussen de volkeren leven, zoals wantrouwen, verdachtmakingen, vijandelijkheden. Zo “vernietigt Hij de dood en veegt Hij de tranen van alle gezichten.” Het is duidelijk dat Jezus daarnaar verwijst met de koning in zijn parabel. Maar waarom spreekt hij dan over ‘mishandelen en vermoorden van de dienaren’ en ‘het uitmoorden en in brand steken van de stad’? Dit heeft te maken met de context: de parabel maakt deel uit van een groter geheel. Het begint blijde intocht, dan reinigt Jezus de tempel door de handelaars te verjagen, waarop de religieuze leiders Hem op de rooster leggen en naar zijn bevoegdheid vragen om dit te mogen doen. Jezus antwoordt hierop met 3 parabels: de 2 zonen die al dan niet in de wijngaard zouden gaan werken (2 weken geleden), de onrechtvaardige pachters (vorige zondag) en nu de onwillige genodigden. Hij vertelt deze parabels dus niet aan de verzamelde massa, ook niet aan zijn leerlingen, maar aan de religieuze overheden die Hem op de korrel namen. Deze parabels zijn dan ook belerend, berispend en zelfs verwijtend bedoeld. De moord op de dienaars en het verwoesten en in brand steken van de stad, zijn bewust gekozen. Ze verwijzen naar vroeger, wanneer de profeten de leiders waarschuwden voor foute beleidskeuzen en uitnodigden om rechtvaardiger te zijn, en dat met hun leven moesten bekopen. Gevolg: de Assyriërs veroverden het land en staken Jeruzalem in brand. Vorige week hoorden we hoe de eigenaar van de wijngaard zijn eigen zoon stuurde en hoe die werd vermoord, wat verwijst naar wat Jezus te wachten staat. En ook Mattheus doet zijn duit in het zakje. Hij schrijft zijn evangelie rond het jaar 80 en maakt dus mee hoe de Romeinen in het jaar 70 Israël binnenvallen, de tempel in brand steken en Jeruzalem plunderen en met de grond gelijk maakten. De eerste lezers van dit evangelie waren gevluchte joden die twijfelden of ze trouw zouden blijven aan de joodse wet, of bij het jonge christendom zouden aansluiten. Die zullen heel goed begrepen hebben waarover deze parabels handelden: dat hun leiders vergeleken worden met de onwillige genodigden en met de onrechtvaardige pachters die het land slecht bestuurden en het vertrouwen van het volk beschaamden, met alle gevolgen van dien. Bij de eerste christenen zien ze openheid van geest, gastvrijheid, rechtvaardigheid. Stel dat Jezus deze parabels aan de leerlingen en het volk zou verteld hebben, zouden die waarschijnlijk veel meer uitnodigend geklonken hebben. Misschien moeten wij onszelf daaraan optrekken: ook te midden van zoveel negativiteit om ons heen, wille we ons klaarmaken voor de maaltijd des Heren. En dit kunnen we door terug te grijpen naar ons begin, met de aanbevelingen van Paulus: wees blij, wees vriendelijk, wees niet bezorgd en wees dankbaar. Ik denk dat we daarmee al een heel eind op weg zijn naar zijn bruiloftsfeest.
Luc Motmans, pastoraal werker
Bezinning
Het verhaal gaat dat God een feest wilde geven. En Hij vroeg zich af wie Hij allemaal moest uitnodigen. “Als Ik het nu eens op mijn eigen manier zou doen”, dacht Hij. Hij riep zijn dienaren en zei: “Ik wil een open feest, Ik kies voor alle mensen! Wie maar komen wil, is uitgenodigd. Ga dus maar naar de straten en de pleinen en zeg tegen de mensen, tegen de armen en de rijken, de machtigen en de zwakken, tegen hen die rechts denken en links doen en omgekeerd, maar ook hen die de kerk altijd in het midden proberen te houden. En zeg tegen hen: je bent door God uitgenodigd om te vieren met elkaar, om te delen met elkaar en om te leven in vrede!” De dienaren deden zoals God hun zei. En tot op vandaag zijn ze daar nog altijd mee bezig, want zijn huis is nog altijd niet volgelopen.